adhd-land


ADHD scripties

ADHD: een pleidooi voor een volwassen benadering

Hoofdstuk 3: Diagnose en behandeling

Afstudeerscriptie Ria van Tillo, juni 1999

 

3.1 Inleiding
 
 

In het vorig hoofdstuk is naar voren gekomen dat het leven voor volwassenen met ADHD soms verre van eenvoudig is, de symptomen van de stoornis kunnen zich op een heftige wijze manifesteren. In dit hoofdstuk wil ik ingaan op de mogelijkheden die men heeft om te komen tot een diagnose en welke aanknopingspunten de behandeling biedt.
 
 
 
 

3.2 Ontwikkelingen in de diagnostisering
 
 

In de loop van de tachtiger en negentiger jaren uitgevoerd onderzoek heeft overduidelijk aangetoond dat ook volwassenen ADHD kunnen hebben. Tevens heeft neurofysiologisch onderzoek van met name Zametkin en Biederman aangetoond dat ADHD samengaat met een stoornis in de frontale kwab van de hersenen. Meer specifiek kan men zeggen dat er te weinig neurotransmitters worden aangemaakt. Deze onderzoekslijn verkeert nog in een pril stadium en is derhalve (nog) niet geschikt als diagnostisch instrument. Voorlopig is men daarbij nog aangewezen op de beschrijvingen van de klachten waarmee mensen zich aandienen.

Volgens Herpers en Buitelaar 17 is de aanpassing van de DSM IV in 1994 een belangrijke verbetering voor de diagnostiek rond ADHD bij volwassenen. Zij vinden het evenwel onjuist dat de DSM spreekt over bestaande restverschijselen uit de kindertijd zonder aan te geven welke en hoeveel restverschijnselen aanwezig moeten zijn om ook bij volwassenen van ADHD te kunnen spreken. Zij voelen meer voor de zogenaamde "Utah Criteria for ADHD in Adults", ontwikkeld door Wender e.a.

De "Utah Criteria for ADHD in Adults" luiden als volgt:

  • 1. Op de kinderleeftijd is er sprake van zowel concentratiezwakte als hyperactiviteit;

    2. daarnaast is er op de kinderleeftijd sprake van gedragsproblemen op school, impulsiviteit, prikkelbaarheid en woede-uitbarstingen (ten minste een van deze vier);

    3 op volwassenleeftijd zijn er persisterende concentratieproblemen en hyperactiviteit, daarnaast twee van de volgende vijf symptomen: affectieve labiliteit, opvliegendheid, stress-intolerantie, impulsiviteit en desorganisatie.

  • Tevens is er door Wender een zelfrapportagelijst ontwikkeld, de "Wender Utah Rating Scale" (WURS), die 61 items bevat en zowel symptomen bij volwassenen als problemen in de kindertijd inventariseert.

    Kooij, Goedkoop en Gunning 18 zijn het met Herpers en Buitelaar eens dat de DSM IV goede aanknopingspunten biedt voor het stellen van een diagnose. Bij kinderen moet voldaan zijn aan 6 van de 9 aandachtsproblemen en/of 6 van de 9 hyperactief/ impulsieve kenmerken. Omdat de klachten met het ouder worden afnemen gaan er volgens hen stemmen op om de criteria voor volwassenen vast te stellen op 5 van de 9. De "Wender Utah Rating Scale" ervaren zij als onvoldoende betrouwbaar aangezien niet alleen naar kenmerken van ADHD gevraagd wordt maar ook naar kenmerken van stemmings- en persoonlijkheidsstoornissen. Daarentegen adviseren zij een uitgebreide auto- en familie anamnese af te nemen en deze los van elkaar afgenomen anamneses vervolgens te toetsen aan de criteria van de DSM IV.

    In ieder geval is het volgens hen voor de diagnose vereist dat;

  • * enkele symptomen begonnen zijn voor het zevende levensjaar,

    * er disfunctioneren was op school en thuis en

    * er een continu persisterend patroon van deze symptomen bestaat vanaf de kindertijd tot heden.
     
     

  • Kooij heeft na haar publicaties een grote stroom volwassenen op haar spreekuur gehad die zichzelf meenden te herkennen in de beschreven klachten. Op basis van door haar gepleegd onderzoek heeft zij een eigen methodiek van diagnostiseren
    ontwikkeld.
    19

    In haar diagnosestelling gaat zij zoals al eerder vermeld uit van een uitgebreide anamnese, wat zij tevens als de belangrijkste component ziet. Daarnaast kan aanvullend neuropsychologisch onderzoek gedaan worden alsmede het invullen van een checklist waarop de klachten beschreven staan.

    Onderkenning van ADHD bij volwassenen is ook niet eenvoudig omdat het vaak gepaard gaat met andere stoornissen zoals depressie, angst- en dwangstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en antisociaal gedrag.20 Daarnaast kunnen bepaalde ADHD symptomen ook voorkomen in andere psychiatrische stoornissen. Een gestoorde concentratie, rusteloosheid of impulsiviteit komen bijvoorbeeld ook bij bepaalde persoonlijkheidsstoornissen voor.21

    In de Amerikaanse literatuur wordt gesteld dat waarschijnlijk 25% van alle verslaafden ADHD heeft. De beperkte mogelijkheden van de impulsbeheersing van het gedrag maakt dat deze mensen genieten van de kicks in hun leven.
     
     

    Uit voorgaande paragraaf blijkt dat er verschillende methodieken zijn die men kan hanteren om de diagnose ADHD bij volwassenen kan stellen. Dat men het nog niet geheel eens is kan tevens komen doordat deze stoornis bij volwassenen nog een relatief onbekend fenomeen is en de ontwikkeling van diagnostisch instrumentarium nog in volle gang is. Voorlopig is men nog aangewezen op het afnemen van een zéér uitgebreide anamnese. Kooij is daarover m.i. het meest duidelijk. Zij geeft een uitgebreide omschrijving van het afnemen van een anamnese en ander ondersteunend diagnostisch materiaal. Dat zal ik hieronder als leidraad nemen.
     
     
     
     
     
     

    3.3 Het diagnostisch proces volgens Kooij
     
     

    3.3.1 De anamnese

    Ook wanneer het vermoeden van ADHD bestaat dient het diagnostisch proces volgens Kooij te beginnen als de gewone psychiatrische diagnostiek inclusief biografische anamnese.

    Tijdens het afnemen van deze anamnese wordt specifiek gevraagd naar de symptomen met betrekking tot aandachtsproblemen of slechte concentratie, hyperactiviteit en impulsiviteit.

    Bij volwassenen waarbij in de jeugd geen ADHD is vastgesteld zal een retrograde anamnese moeten worden afgenomen waarbij als het mogelijk is ook gebruik wordt gemaakt van de gegevens die ouders hier over kunnen geven.

    Middels de anamnese dient derhalve informatie vergaard te worden omtrent de volgende zaken:

  • - Zuurstof tekort direct na de geboorte, (slechts 2 % van baby’s die dit is overkomen heeft ADHD).

    - Veel huilen als baby, met name het verschil met andere broertjes en zusjes.

    - ADHD problemen bij andere familieleden (in 30 - 40% van de gevallen)

    - Leerproblemen (lezen, rekenen, spellen)

    - Moeite met sociale contacten, gepest zijn op school

    - Temperamentvol gedrag, woedeuitbarstingen

    - Gedragsstoornissen, vechten, agressief gedrag, oppositioneel gedrag en autoriteitsconflicten

    - Behoefte aan spanning, bv. te hard rijden, risisco’s nemen

    - Delinquent gedrag, contact met politie/justitie

    - Drugs- en/of alcoholgebruik

    - Financiële problemen, gokken

    - Relatieproblemen, werkproblemen

    - Stemmingswisselingen

    - Angst, depressie, dwangmatigheid

    - Overgevoeligheid voor bepaalde zintuiglijke prikkels, b.v. geluid van een klok, storm, lichtflitsen, bepaalde geuren, aanraking.
     
     

  • Naast het bevragen van de eigen geschiedenis moet er aandacht besteed worden aan de familiegeschiedenis. De familie anamnese kan ook gegevens bieden over erfelijkheid. Ook andere psychiatrische stoornissen moeten worden uitgevraagd: niet zelden ziet men familieleden met angst, depressie, alcohol/drugsmisbruik, impulsief of agressief gedrag.

    In het gesprek met de ouders komt het met name aan op het vaststellen of de symptomen dateren van vóór het zevende levensjaar. Een gesprek met de partner kan nader licht werpen op de huidige symptomen.

    Schoolrapporten en verslagen van eerder psychologisch of psychiatrisch onderzoek kunnen de diagnose verder onderbouwen.

    Andere stoornissen die ook in de kindertijd beginnen moeten worden uitgesloten of vastgesteld. Tics, autisme en gedragsstoornissen komen vaker samen met ADHD voor. Dat geldt evenzo voor op ADHD gelijkende en met ADHD gepaard gaande stoornissen zoals een persoonlijkheidsstoornis (25% van de ADHDers ontwikkelt een antisociale persoonlijkheidsstoornis), stemmingsstoornissen, angststoornissen, alcohol- en drugsgebruik.
     
     
     
     

    3.3.2 Neuropsychologisch onderzoek

    Er bestaan een aantal psychologische testen specifiek gericht op functies van de frontale hersenkwab. Daarnaast kunnen geheugen- en IQ testen informatie opleveren die mogelijk van belang is. Over het IQ van mensen met ADHD lopen de meningen nogal uiteen. Over het algemeen gaat men uit van een normaal IQ tot zelfs een erg hoog IQ. Sommigen gaan uit van een lager IQ dan normaal, dit zou mogelijk ook te maken kunnen hebben met het gebruikte testmateriaal. Veel volwassenen ervaren zelf dat ze presteren onder hun mogelijkheden.

    Specifieke testen voor ADHD zijn er nog niet. Een probleem bij de ontwikkeling van zulke testen ligt daarin, dat hoewel mensen met ADHD concentratiestoornissen hebben, velen van hen zich wel kortdurend goed kunnen concentreren op een spannende test.
     
     

    3.3.3 Overig diagnostisch instrumentarium

    Momenteel worden er vragenlijsten ontwikkeld voor volwassenen met ADHD, waarmee de betrouwbaarheid van de diagnostiek wordt vergroot. Als bijlage heb ik een vragenlijst van het St. Joris Ziekenhuis opgenomen. Helaas zijn de vragen mijns inziens niet goed geformuleerd en dus moeilijk in te vullen; bij vele vragen zijn geen van de voorgegeven antwoordcategorieën van toepassing. Ook op het internet circuleren al verschillende vragenlijsten die mensen kunnen gebruiken om hun eigen diagnose te stellen. Op zich vind ik het prima dat er via internet zoveel informatie gemakkelijk beschikbaar is voor volwassenen met ADHD en hun hulpverleners. Het gevaar van genoemde vragenlijsten vind ik dat door het invullen verkeerde of overhaaste conclusies kunnen worden getrokken. Taken niet afmaken, veel praten, vergeetachtig of slordig zijn wil nog niet zeggen dat je ADHD hebt. Zoals al gezegd is, is uitgebreid onderzoek door een deskundige nodig voordat de diagnose gesteld kan worden.

    Soms is het mogelijk afwijkingen aan te tonen op het EEG (Electro Encephalo Gram), voor het stellen van de diagnose is dit onderzoek echter onvoldoende specifiek.
     
     

    Van verschillende zijden wordt aangegeven dat men alert moet zijn wanneer een cliënt zich aandient met stemmings- en angststoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, alcohol- en drugsgebruik en een ontwikkelingsanamnese van hyperactief motorisch gedrag, impulsiviteit en/of aandachtsprobleem te denken dat je mogelijk met iemand met ADHD van doen hebt.

    Herpers en Buitenaar gaan zelf zover dat zij op basis van literatuuronderzoek stellen dat je kunt spreken over prototypische cliënt. Deze cliënt lijkt dan een man met antisociale persoonlijkheidstrekken, die neigt tot middelenmisbruik en niet in staat lijkt zich aan zijn omgeving aan te passen. Vanaf zijn vroege jeugd heeft hij last van concentratiestoornissen, hyperactiviteit en/of impulsiviteit en heeft hij speciaal onderwijs gevolgd. Vanaf de puberteit toont zich het beeld van 12 ambachten en 13 ongelukken. Wordt de diagnose ADHD gesteld dan is er kans, dat er met gerichte medicatie een vicieuze cirkel wordt doorbroken.

    Ik moet zeggen dat ik bang ben dat het invoeren van een prototypische cliënt gaat leiden tot overhaaste diagnostiek. Hoewel van overdiagnostiek nu nog geen sprake is, geeft Kooij in een recent interview in "HP/De Tijd"aan dat ze zich zorgen maakt over de tegenwoordig vaker gevolgde ‘korte route’: huisartsen die al op ADHD gerichte medicatie voorschrijven alvorens de cliënt door te sturen naar de psychiater.22
     
     

    3.4 Implicaties van de diagnosestelling ADHD voor de cliënt en zijn omgeving
     
     

    Wanneer na uitgebreid onderzoek de psychiater komt tot de diagnosestelling ADHD kan dit voor de cliënt en zijn familie een opluchting betekenen. Eindelijk na een zoektocht van vaak vele jaren langs allerlei hulpverleners is er erkenning voor de klachten van de cliënt. Juist omdat de cliënt zelden serieus genomen is met zijn klachten is dan een eerste vereiste, de cliënt wel serieus te nemen en goed voor te lichten over de mogelijkheden tot behandeling. Mensen moeten weer controle krijgen over hun leven. Aangezien behandeling vanaf het moment van diagnosestelling een belangrijk deel van hun leven gaat uitmaken, is controle en eigen initiatief over de te volgen behandeling dan ook gewenst. Voor ouders is de diagnose vaak de erkenning dat het probleem niet ligt bij een verkeerde opvoeding, zij worden hiermee ontschuldigd. Teleurstelling en boosheid van cliënt en zijn familie naar hulpverleners is wel voorstelbaar. Vaak hebben zij de problemen gepaard gaande met ADHD al jaren aangegeven bij diverse hulpverleners. Ouders kregen te horen dat zij het kind niet streng genoeg aanpakten en cliënten zelf dat zij niet genoeg hun best deden om hun problemen aan te pakken. Volgens mij zijn dat voldoende redenen om als hulpverlener je uiterste best te doen om uit te gaan van de wensen en mogelijkheden van de cliënt en niet te twijfelen aan de motivatie en de goede wil. We spreken over een mondige cliënt die jarenlang zijn best heeft gedaan zijn problematiek op de agenda van de hulpverlening te krijgen.

    Tegenover de kansen die de diagnosestelling de cliënt biedt staan helaas ook bedreigingen. Door het stellen van de diagnose ADHD verschuift het beeld van, iemand met soms onmogelijk gedrag naar iemand die ziek is. Als gevolg van het ziekte-etiket en de bijbehorende ziekterol ontstaat mogelijk de neiging om de eigen verantwoordelijkheid bij de betrokkene zelf weg te nemen: de ziekte of het defect is verantwoordelijk voor het gedrag en niet, of in mindere mate, de zieke zelf. Uitsluiend medicamenteuze behandeling is dan ook niet de aangewezen weg en bevestigt alleen maar het ziek zijn. 23
     
     

    3.5 Medicinale behandeling
     
     

    De behandeling van ADHD bij volwassenen omvat een aantal onderdelen welke als regel niet afzonderlijk maar in combinatie worden aangeboden.

    Voorschrijven van en instellen op medicatie zullen hieronder besproken worden. Psycho-educatie, lotgenotencontact en ondersteunende therapie komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.
     
     

    Instellen op medicatie

    Medicatie wordt voorgeschreven afhankelijk van de ernst en de hevigheid van de klachten. Aan vrijwel alle ADHDers wordt medicatie voorgeschreven. Dit strookt met de steeds meer aanvaarde notie dat het probleem veroorzaakt wordt door het ontbreken van een stof in de hersenen.

    Voor men overgaat tot het geven van medicatie moet er lichamelijk en laboratoriumonderzoek gedaan worden. De cliënt moet in een goede lichamelijke conditie zijn, met name ook vanwege de bijwerkingen van de gangbare medicatie. Specifiek wordt er gevraagd naar cardiale klachten, epilepsie en schildklierproblemen; ook moeten pols en bloeddruk normaal zijn.

    Aangezien het gebruik van medicatie bij zowel kinderen als volwassenen een essentieel onderdeel van de behandeling vormt, wil ik hier nader op ingaan en de meest gebruikte medicatie kort introduceren.
     
     

    1. Ritalin (Methylfenidaat)

    Ritalin is een stimulerend geneesmiddel. Je zou verwachten dat mensen met ADHD bij gebruik van Ritalin nog actiever worden dan ze al zijn, maar het tegendeel is het geval. Ritalin stimuleert de produktie van dopamine dat overal in de hersenen aanwezig is maar met name in de frontale hersenkwab. Het activeert dus met name dat deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor het remmen van gedrag en het volhouden van inspanning of aandacht. Met Barkley zou je kunnen zeggen dat het met name de ‘remkracht’ van dat deel van de hersenen stimuleert. 24

    Ritalin zou op 75% van de kinderen en volwassenen met ADHD een gunstig effect hebben, in Amerika wordt zelfs een percentage van 90% genoemd.25

    Rondom het gebruik van Ritalin bestaan verschillende mythes, waarvan de belangrijkste is dat het verslavend zou werken. Op zichzelf is dat geen vreemde veronderstelling. Het middel valt onder de opiumwet, wordt ook in het drugscircuit aangetroffen en is dus ook illegaal verkrijgbaar. Het is echter een kortdurend stimulerend middel dat na enige uren via de urine het lichaam verlaat. Dat het een verslavende werking zou hebben is nooit aangetoond.

    Barkley vergelijkt de afhankelijkheid van Ritalin met die van insuline bij diabetici: het ontbreekt het eigen lichaam aan middelen om het probleem op te lossen en daarom moet men desnoods het hele leven een middel van buitenaf toevoegen.
     
     

    2. Clonidine (catapresan)

    Ritalin is het meest gebruikte medicijn bij ADHD. Wanneer er sprake is van de combinatie ADHD met tic’s is clonidine geïndiceerd. Clonidine stimuleert de produktie van nor-adrenaline. Het is vooral bekend als middel tegen hoge bloeddruk; ook wordt het wel gegeven als middel tegen migraine. Bij ADHD wordt het middel met name ingezet voor het remmen van de hyperactiviteit en impulsiviteit. Vooral bij kinderen met gedragsstoornissen en agressiviteit is het middel succesvol gebleken. Het heeft minder effect op de concentratiestoornissen. Als bijwerkingen treden sufheid en lage bloeddruk op. Bovendien kan het depressieve klachten verergeren. Clonidine helpt in 50 tot 60% van de ADHD-kinderen.

    3. Anti-depressiva

    Vaak ziet men depressieve klachten, angst- en paniekstoornissen samengaan met ADHD. Stimulerende geneesmiddelen zijn niet voldoende in staat deze klachten te verminderen en niet zelden wordt aan cliënten een combinatie van stimulerende geneesmiddelen zoals Ritalin en een antidepressivum aangeboden. Niet alle antidepressiva zijn even geschikt; met name Petrofran (imipramine) en Tofranil (imipramine) werken effectief op depressieve klachten en hebben daarnaast een gunstig effect op de hyperactiviteit, prikkelbaarheid en impulsiviteit.
     
     

    3.6 Samenvatting
     
     

    De diagnose ADHD is niet eenvoudig te stellen. Er zijn geen kant en klare testen of onderzoeken die het vermoeden kunnen bevestigen. Tot dusver is men aangewezen op het afnemen van een zeer uitgebreide retrograde-anamnese en het uitvragen van de familiegeschiedenis. Neuropsychologisch onderzoek kan de diagnose slechts ondersteunen. Voor de cliënt betekent de diagnosestelling veelal een opluchting en eindelijk erkenning voor zijn klachten. Het instellen op gerichte medicatie vormt veelal een vast onderdeel van de behandeling. Medicalisering wordt hiermee in de hand gewerkt. ADHD mag geen excuus zijn en de cliënt blijft verantwoordelijk voor de gedragsconsequenties van ADHD. Jarenlang hebben de ouders van de ADHD kinderen en de volwassenen met ADHD geprobeerd met hun problemen gehoor te vinden bij de hulpverlening. Het lijkt erop dat zij daar nu eindelijk in gaan slagen. Wat de hulpverlening en met name het maatschappelijk werk zou kunnen betekenen voor deze volwassenen komt in de volgende hoofdstukken aan de orde.

     naar begin hoofdstuk                        naar de inhoudsopgave                   naar hoofdstuk 4



    17. Herpers. P.C.M. en Buitelaar J.K., De validiteit en de betrouwbaarheid van de diagnose ADHD bij volwassenen, een literatuurstudie. Tijdschrift voor psychiatrie 38 (1996) 11 terug naar de tekst

    18. Kooij J.J.S., Goedkoop J.G. Aandachttekortstoornis met hyperactiviteit op volwassen leeftijd. Implicaties voor diagnostiek en behandeling. Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde 1996;140:1848-51 terug naar de tekst

    19. Kooij J.J.S., psychiater, Richtijnen voor het diagnostiseren en behandelen van aandachttekortstoornis met hyperactiviteit op volwassen leeftijd, Psychiatrisch Centrum Joris Delft, oktober 1997. terug naar de tekst

    20. Schoenmaker B., ADHD bij volwassenen, de opluchting van een diagnose.Tijdschrift Psy 25 juni 1998. Interview met Dr. Sandra Kooij. terug naar de tekst

    21. Kooij J.J.S., Goedkoop J.G. Aandachttekortstoornis met hyperactiviteit op volwassen leeftijd. Implicaties voor diagnostiek en behandeling. Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde 1996;140:1848-51 terug naar de tekst

    22. Leclair A. Onrust in je hoofd, HP/de Tijd 07-05-1999 terug naar de tekst

    23. Berghmans R. Attention Deficit Hyperactivity Disorder: enkele ethische reflecties. Proces Maandblad voor berechting en reclassering 75e jaargang nr. 11/12 november/december 1996. terug naar de tekst

    24. Barkley R.A., Diagnose ADHD, een gids voor ouders en hulpverleners, Lisse 1997. Hoofdstuk 8, blz. 274.
    terug naar de tekst

    25. Kooij J.J.S., psychiater, Richtijnen voor het diagnostiseren en behandelen van aandachttekortstoornis met hyperactiviteit op volwassen leeftijd, Psychiatrisch Centrum Joris Delft, oktober 1997. terug naar de tekst


     



    Alle rechten voorbehouden. Niets van deze webpagina c.q. uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslgen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Ria van Tillo of het bestuur van de ADHD stichting. U kunt naar deze webpagina's verwijzen: http://www.adhd.nl/scripties/tillo

    © Ria van Tillo / ADHD stichting 1999 - 2000


    adhd-land is een initiatief van de ADHD stichting