Hou je
hersens erbij!
Ronald
van Gelder en Ad Bergsma
Dat ADHD
zijn oorzaak vindt in de hersenen, is te
simpel gezegd. Maar er zijn wel
verschillen gevonden in hersenfuncties
van mensen met en zonder ADHD.
De koninklijke weg
naar erkenning van leed is een verwijzing
naar de hersenen. Als ADHD veroorzaakt
wordt door een weeffoutje in het brein,
dan zeggen we niet meer dat het kind te
weinig zijn best doet of dat de ouders
meer aandacht hadden moeten besteden aan
de opvoeding. Het ziektebegrip bevrijdt
direct betrokkenen van het verwijt
eigen schuld, dikke bult. Dat
is natuurlijk niet verkeerd, maar echt
steekhoudend is de achterliggende
gedachte niet. Men vergeet namelijk dat
het brein niet alleen het biologische
product is van onze genen. Elke minuut
dat de pasgeboren baby ter wereld is,
krijgt hij er een kleine vijf miljoen
zenuwuitlopers bij. Dit is zon
enorm aantal dat alle verbindingen tussen
zenuwcellen niet exact door erfelijke
factoren geprogrammeerd kunnen worden. In
plaats daarvan beschikt het brein over
mechanismen om zichzelf te reguleren. Aan
de hand van de ervaringen die het jonge
kind opdoet, worden verkeerde
verbindingen gesnoeid en effectieve
circuits verstevigd. Het brein krijgt
zijn vorm in een voortdurende
wisselwerking met zijn omgeving.
Bij ADHD lijkt
sprake te zijn van een subtiele
ontregeling van dit duizelingwekkend
complexe proces. Zo kan een chaotische
leefomgeving in combinatie met de nodige
aanleg ADHD veroorzaken. Hierbij geldt
dat omgevingsinvloeden een kleinere rol
spelen naarmate de aanleg sterker is. Ook
kunnen andere biologische factoren roet
in het eten gooien. Als het zich
ontwikkelende embryo bijvoorbeeld in
aanraking komt met alcohol of lood,
vergroot dit de kans op
aandachtsproblemen in het latere leven.
En bij minder dan tien procent van de
kinderen met ADHD kan hersenletsel
aangewezen worden ten gevolge van een
ongeluk.
ADHD kent dus
verschillende ontstaansgeschiedenissen en
mogelijk zullen we in de toekomst spreken
over een aantal afzonderlijke
ziektebeelden die leiden tot
vergelijkbaar gedrag. Dit zou verklaren
waarom hersenonderzoek soms
tegenstrijdige bevindingen heeft
opgeleverd. Een aantal conclusies keert
echter steeds terug en die zijn in het
onderstaande model van ADHD verwerkt.
Zoals verwacht
staan de hersenstructuren die betrokken
zijn bij de aandacht centraal.
Het voorste
aandachtssysteem (groen in de figuur)
houdt zich bezig met het wie, wat, waar,
wanneer en hoe van de interactie met de
omgeving. Hier worden onze daden gepland,
gereguleerd en gecontroleerd.
Ondoelmatige reacties worden geremd. Deze
vitale voorste hersendelen zijn bij
kinderen met ADHD minder actief en ook
zon vijf tot tien procent kleiner.
Het kind doet daardoor allerlei dingen
zonder overwogen te hebben wat de
gevolgen daarvan zijn.
Het achterste
aandachtssysteem (geel in de figuur)
registreert nieuwe prikkels en reageert
daar ook op. Als de prikkels van belang
zijn, moeten ze worden doorgegeven aan
het voorste aandachtssysteem en
irrelevante informatie moet worden
onderdrukt. Bij ADHD werkt dit systeem
relatief goed, maar soms mist het kind
belangrijke gebeurtenissen en reageert
het wél op onbelangrijke bijzaken.
De lagere
hersenkernen zijn verantwoordelijk voor
de alertheid van het individu. De eerder
genoemde aandachtssystemen zijn hiervan
volledig afhankelijk, want als het
individu slaapt komt er natuurlijk niets
terecht van aandacht besteden. De
alertheid bij ADHD is lager dan normaal
en kan opgekrikt worden met medicatie.
Een hersenkern die
niet in het plaatje is te zien, maar die
in onderzoek onder ADHDers telkens
weer afwijkingen laat zien, is de nucleus
caudatus. Deze krijgt rechtstreeks
opdrachten van het voorste
aandachtssysteem en speelt een hoofdrol
bij de bewegingscoördinatie.

Dwarsdoorsnede
van het ADHD-brein. De medicatie die
gebruikt wordt bij ADHD werkt in op de
genoemde neurotransmitters.

Een
belangrijke prikkel levert een
duidelijke uitslag op bij een
EEG, als een elektrode geplakt
wordt op het gebied boven het
achterste aandachtssysteem.
De uitslag
op het EEG is bij kinderen met
ADHD kleiner (blauw) dan normaal
(rood)
©
Psychologie Magazine / Weekbladpers
Tijdschriften 2000